Krijgt elk onderdeel een eigen paspoort of het meubel als geheel?
Nog niet vastgelegd of het onderdeel of het geheel telt
Voor meubels die uit losse onderdelen bestaan, is nog niet vastgelegd of elk onderdeel een eigen paspoort krijgt of dat het samengestelde meubel als één geheel geldt. De ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) legt wel de algemene bouwstenen vast waarmee een digitaal productpaspoort werkt — een unieke identificatiecode per product (artikel 12) en de technische eisen aan het ontwerp en de werking van het paspoort (artikel 11) — maar op welk niveau dat voor meubels precies wordt toegepast, moet nog worden bepaald in een gedelegeerde handeling die specifiek over meubels gaat. Die is er nu nog niet.
Voor wie dit relevant is, en waarvoor niet
Deze vraag speelt vooral bij meubels die in onderdelen worden verkocht of geleverd: flatpack-kasten, modulaire banken, systeemmeubilair dat op locatie wordt samengesteld, of projectinrichting waarbij losse elementen tot één geheel worden gemonteerd. Voor de fabrikant of importeur die zo'n product op de markt brengt, is het relevant om te weten of de verplichting straks per samengesteld meubel geldt of per los onderdeel.
Wat deze twee ESPR-artikelen niet doen, is die vraag al beantwoorden. Artikel 12 en artikel 11 beschrijven het algemene mechanisme van het digitaal productpaspoort — hoe een product een unieke code krijgt en hoe het paspoort technisch is opgebouwd — voor alle productgroepen die onder de ESPR gaan vallen. Ze zijn niet meubelspecifiek. De concrete invulling voor meubels, inclusief de vraag op welk niveau (onderdeel, module, of eindproduct) de identificatie en het paspoort worden toegepast, komt pas met de gedelegeerde handeling voor deze productgroep. Tot die er is, kan hierover geen uitspraak worden gedaan die verder gaat dan wat de verordening in algemene zin al regelt.
Wanneer dit duidelijk wordt
Een vaste datum voor de meubelspecifieke regels is er nog niet. Volgens het ESPR-werkplan 2025-2030 wordt de gedelegeerde handeling voor meubels rond 2028 verwacht, maar dat is een planningsdatum, geen wettelijk vastgelegde datum. Zodra de gedelegeerde handeling is gepubliceerd, staat daarin ook op welk niveau — onderdeel of samengesteld meubel — de unieke identificatiecode en het paspoort worden toegepast. Tot die publicatie geldt alleen het algemene kader van de ESPR zelf: de verordening bepaalt dát er een unieke identificatiecode en een digitaal paspoort komen, maar niet hoe dat voor meubels met losse onderdelen precies wordt ingericht. Deze pagina wordt bijgewerkt zodra die datum en die invulling bekend zijn.
Wat dit voor de praktijk betekent
Voor wie nu al meubels uit losse onderdelen produceert of importeert, is het zinvol om in deze volgorde te kijken:
Eerst: breng in kaart hoe het product feitelijk op de markt wordt gebracht — als één samengesteld meubel, als kit met onderdelen die de koper zelf monteert, of als losse componenten die apart verkocht kunnen worden. Dat onderscheid is waarschijnlijk relevant zodra de meubelspecifieke regels er zijn, omdat de ESPR de unieke identificatiecode koppelt aan het product zoals dat op de markt wordt gebracht (artikel 12).
Vervolgens: houd de gegevens per onderdeel al gestructureerd bij — materiaal, herkomst, reparatie- en demontage-informatie — ook als nu nog niet vaststaat of daar één paspoort of meerdere paspoorten uit voortkomen. Goed geordende data op onderdeelniveau is bruikbaar in beide scenario's; slecht geordende data op productniveau is dat niet, mocht het toch per onderdeel moeten.
Daarna: wacht de gedelegeerde handeling voor meubels af voordat er wordt geïnvesteerd in een definitieve indeling van paspoorten per onderdeel of per geheel. Vooruitlopen op een keuze die de wetgever nog moet maken, levert het risico op dat de structuur achteraf moet worden aangepast.
Tot slot: een platform dat het paspoort samenstelt en host, zoals furnipas.eu, kan die indeling pas definitief doorvoeren zodra de gedelegeerde handeling bekend is. Tot die tijd is het advies vooral: gegevens op orde brengen op het niveau van het onderdeel, zodat aggregatie naar het geheel — of juist splitsing per onderdeel — geen probleem vormt wanneer de regels concreet worden.
Waar dit uit volgt: artikel 12 en artikel 11 ESPR
Artikel 12 van de ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) regelt de unieke identificatiecode die een product koppelt aan zijn digitale paspoort. Artikel 11 beschrijft het technisch ontwerp en de werking van het paspoort zelf, dus hoe het paspoort is opgebouwd en toegankelijk gemaakt. Beide artikelen vormen het algemene kader dat voor alle productgroepen onder de ESPR geldt, maar de toepassing op meubels — en dus ook de vraag of een samengesteld meubel of elk onderdeel apart een identificatiecode en paspoort krijgt — wordt pas concreet ingevuld in de gedelegeerde handeling die specifiek voor meubels wordt opgesteld.
Wat nu te doen
Wie nu al meubels uit losse onderdelen ontwerpt, produceert of importeert, kan het beste beginnen met het ordenen van materiaal- en herkomstgegevens per onderdeel, zodat die data later probleemloos kan worden samengevoegd tot één paspoort per meubel of juist gesplitst kan blijven per onderdeel — afhankelijk van wat de gedelegeerde handeling voor meubels uiteindelijk voorschrijft. Deze pagina wordt aangevuld zodra die handeling is gepubliceerd.
Waar dit op gebaseerd is
- Verordening (EU) 2024/1781 (ESPR), artikel 12 (unieke identificatiecode)
- Verordening (EU) 2024/1781 (ESPR), artikel 11 (technisch ontwerp en werking van het digitale productpaspoort)
De verordening zelf staat op EUR-Lex. Wij verwijzen per bewering; u hoeft ons niet te geloven.
Wat u concreet moet doen
Wat er van u wordt verwacht
Een kast die in losse onderdelen wordt geleverd — zijpanelen, planken, scharnieren, een set beslag — roept een vraag op die de ESPR niet met een simpel ja of nee beantwoordt: gaat het paspoort over het eindproduct zoals de gebruiker het thuis in elkaar zet, of over elk onderdeel apart? Het antwoord hangt samen met hoe het product wordt verhandeld en welke gedelegeerde handeling voor meubels straks de precieze regels vastlegt. Wat artikel 11 en artikel 12 van de ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) wel al vastleggen, is de systematiek waarbinnen die keuze gemaakt wordt.
Eén identificatiecode per paspoort
Artikel 12 van de ESPR verplicht tot een unieke identificatiecode die het product (of de productgroep, afhankelijk van de gedelegeerde handeling) koppelt aan de juiste dataset. Voor een meubelstuk dat als één samen te stellen geheel wordt verkocht — één artikelnummer, één verpakking, één factuurregel — ligt het voor de hand dat die code op het geheel slaat, niet op elke plank of elk scharniertje. Praktisch betekent dit voor een bedrijf van 10 tot 100 medewerkers dat het huidige artikelnummer-systeem waarschijnlijk als basis kan dienen, maar dat er wel scherp gekeken moet worden naar wat er nu al als één verkoopeenheid door de administratie loopt. Bedrijven die worstelen met de opzet van die codes kunnen de systematiek bekijken op Hoe geef ik elk product een unieke identificatiecode?.
Onderscheid tussen product en onderdeel bewaren
Artikel 11 van de ESPR beschrijft de technische inrichting van het paspoort, inclusief de mogelijkheid dat een paspoort verwijst naar andere paspoorten of naar componenten binnen het product. Dat is relevant bij meubels die uit losse onderdelen bestaan: een onderdeel kan zelf een product zijn met een eigen levensloop (denk aan een los te vervangen scharnierset die ook afzonderlijk verkocht wordt), of het kan puur een bouwsteen zijn die alleen bestaat binnen het eindproduct. Voor een bedrijf dat zowel complete kasten als losse vervangingsonderdelen verkoopt, betekent dit dat vooraf moet worden vastgesteld welke onderdelen een eigen commerciële status hebben en welke niet. Dat onderscheid bepaalt of er straks sprake is van één paspoort of van een samenstel van paspoorten die naar elkaar verwijzen, zoals beschreven op Mijn product heeft meerdere productpaspoorten nodig — hoe werkt dat samen?.
De praktijk van verpakking, montage en verkoop volgen
Wat waarschijnlijk de doorslag geeft, is niet de fysieke vorm van het product maar de manier waarop het op de markt wordt gebracht. Een meubel dat in een platte doos met montage-instructie wordt verkocht, is voor de consument één product met één aankoopmoment — ook al bestaat het uit twintig onderdelen. Voor bedrijven betekent dit dat de bestaande verkoop- en verpakkingslogica een belangrijke aanwijzing is voor hoe het paspoort straks wordt opgebouwd, meer dan de technische samenstelling van het product zelf.
Waar het misgaat in de praktijk
Onderdelen los coderen die nooit los verkocht worden. Een fabrikant van eettafels registreert elk tafelblad, elk onderstel en elke schroefset als los item met een eigen code, terwijl klanten alleen de complete tafel kunnen bestellen. Dat levert een onnodig grote en foutgevoelige dataset op, zonder dat er ooit een klant is die het losse tafelblad opzoekt.
Vervangingsonderdelen vergeten in de opzet. Een kastenfabrikant richt het paspoort in op het complete product, maar levert via de klantenservice ook losse scharnieren en laderails na. Als die onderdelen zelf niet apart in het systeem staan, ontbreekt er straks een aanknopingspunt voor reparatie-informatie die wél bij het onderdeel had moeten horen.
De QR-code op het verkeerde niveau plakken. Bij een modulair bankstel wordt de QR-code alleen op de doos van het hoofdelement geplakt, niet op de losse hoekmodules die apart nabesteld kunnen worden. Wie later alleen de hoekmodule koopt, heeft dan geen toegang tot het paspoort. De juiste plek voor die drager hangt samen met hoe het product wordt verpakt en verkocht, zie Hoe komt de QR-code voor het productpaspoort op mijn meubels?.
Onderdelen van toeleveranciers niet meenemen in de dataset. Een importeur van flatpack-meubels neemt de gegevens van de scharnieren en het beslag niet mee omdat die "niet door ons gemaakt zijn", terwijl die onderdelen wel onderdeel zijn van het samen te stellen product en dus van de materiaalinformatie in het paspoort.
Twee losse artikelnummers samenvoegen tot één paspoort zonder onderbouwing. Een fabrikant combineert twee onderdelen die apart worden ingekocht en apart een artikelnummer hebben tot één paspoort, zonder vast te leggen waarom die keuze is gemaakt. Bij een controle of bij een wijziging in het assortiment is dan niet meer te herleiden welke informatie bij welk onderdeel hoorde.
Wat u kunt vastleggen
- Een overzicht van welke onderdelen van het meubel apart verkocht of nabesteld kunnen worden, en welke uitsluitend binnen het samengestelde product bestaan.
- De koppeling tussen bestaande artikelnummers en de eenheid waarop het paspoort straks wordt toegepast — product, module of onderdeel.
- Een vastgelegde beslissing over welke onderdelen een eigen unieke identificatiecode krijgen, met de onderbouwing daarvoor, zodat die keuze niet impliciet blijft.
- Afspraken met toeleveranciers over wie welke gegevens levert voor onderdelen die niet zelf gemaakt worden, inclusief beslag, scharnieren en bevestigingsmateriaal.
- Een overzicht van waar de QR-code op elk verpakkingsniveau komt, zeker bij producten die zowel compleet als in losse modules worden verkocht.
- Vastlegging van hoe de gegevens uit de eigen voorraad- of ERP-administratie worden gebruikt om het paspoort te vullen, zodat wijzigingen in samenstelling of onderdelen automatisch doorwerken — zie Kan ik het productpaspoort koppelen aan mijn ERP- of voorraadsysteem? voor de technische kant daarvan.
Deze vastlegging is vooral bedoeld om nu al structuur aan te brengen, zodat wanneer de gedelegeerde handeling voor meubels de definitieve indeling vastlegt, de aansluiting op de eigen productadministratie al gemaakt is.
Dit is geen juridisch advies. Deze pagina geeft algemene informatie over de regelgeving waar dit platform over gaat. Wij kennen uw situatie niet. Bij twijfel over uw eigen geval raadpleegt u een jurist of de bevoegde toezichthouder.
Geschreven met AI op basis van de bronnen hierboven, gecontroleerd door een mens op 2026-08-22. Klopt er iets niet? Laat het weten — correcties krijgen voorrang.